Persluchtlocomotief

Perslucht mijnspoorlocomotief Hoek 10

In de mijnbouw was sprake van zowel bovengronds als ondergronds vervoer. Voor het ondergronds vervoer op de verschillende etages van de kolenmijnen gebruikte men aanvankelijk sleden en later kolenwagens op smalspoor die door paarden werden getrokken. Vanaf circa 1930 werden persluchtlocomotieven gebruikt voor het transporteren van de kolenwagens in de mijngangen.

Het gebruik van smalspoor voor de industrie is ondergronds begonnen. Al in de 16de eeuw was er sprake van smalspoor in mijngangen, in wezen de eerste vorm van spoorvervoer. Daarbij ging het om houten kolenkarretjes, die op houten rails liepen. In Nederland werd echter gebruik gemaakt van kolensleden, die ook wel ‘hond’ werden genoemd. Die sleden werden door de mijnwerkers door de mijngangen getrokken. De mijnwerkers die met dit werk waren belast, werden slepers genoemd. Dat sleperswerk werd vaak verricht door kinderen. Die waren geschikt voor dit werk, omdat de mijngangen zo laag waren.
In de eerste helft van de negentiende eeuw kwam het smalspoor in zwang, met wagens die ook door menselijke spierkracht werden voortbewogen. In 1866 voerde de Domaniale Mijn bij Kerkrade paardentractie in voor het ondergrondse vervoer. Daarvoor moesten de mijngalerijen wel worden verhoogd. Tot halverwege de jaren ’30 van de vorige eeuw bleef men gebruik maken van paarden voor het trekken van de kolenlorries door de mijngangen.
In die tijd dienden nieuwe tractievormen zich aan. Er kwamen locomotieven met benzinemotoren in gebruik. Nadeel daarvan was explosiegevaar, in verband met de aanwezigheid van mijngas in de kolenmijnen. Daarnaast bleven de uitlaatgassen die deze motoren voortbrachten, hangen in de mijngangen en maakten het leven van de mijnwerkers er niet aangenamer op.
Men had ontdekt dat samengeperste lucht goed kon worden gebruikt voor de aandrijving van locomotieven. Die lucht werd bovengronds samengeperst en was dus zuiver. Op een locomotiefframe plaatste men gasflessen die werden gevuld met de samengeperste lucht. Die lucht werd naar de cilinders van de locomotief geleid en zorgde voor de aandrijving. Aanvankelijk was de actieradius van deze locomotieven beperkt tot enkele honderden meters. Daarna moesten ze weer worden bijgevuld. Later kwamen er gasflessen van een betere constructie die een hogere druk aankonden. Daardoor konden de persluchtlocomotieven zes tot acht kilometer op een luchtlading rijden.

Ontwikkeling:

Mijnbouw

Argumentatie:

Persluchtlocomotieven waren zeer kenmerkend voor het ondergronds vervoer in de mijnen.

Argumentatie object:

De persluchtlocomotief Hoek 10 is een zeldzaam toonbeeld van een bijzondere ontwikkeling in de Nederlandse railvervoermiddelen-industrie, waarbij een gespecialiseerde machinefabriek op bescheiden schaal locomotieven bouwden In dit geval betreft het de W.A. Hoek's Machine- en Zuurstoffabriek (later Hoek Loos) in Schiedam.

Links: